Op 15 maart 1742 werd hoeve De Beukeboom bij Nieuwstadt overvallen door een grote groep Bokkerijders. De bende had de aanval dagenlang voorbereid; verkenners en bendeleden uit meerdere dorpen waren betrokken.
Vier Bokkerijders gingen de herberg binnen en vielen herbergier Theo Wintraeken onverwacht aan. Hij werd zwaar mishandeld en later in de kelder opnieuw toegetakeld. Zijn vrouw Anna en de kinderen vluchtten naar de zolder. Toen Anna de ladder wilde optrekken, werd zij door bendeleider Mathias Ponts doodgeschoten. De kinderen werden vastgebonden en bedreigd. De Bokkerijders roofden kisten en goederen uit het huis en vluchtten daarna.
Twee dagen later, zaterdag 17 maart, komen schout Geeten, de schepenen Joannes Lenssen en Gossen Feyen met secretaris Brandts van de schepenbank Nieuwstadt pas een kijkje nemen in de getroffen hoeve. Dat dit dan pas gebeurt, wordt ze later kwalijk genomen. Ze troffen een zwaar toegetakelde Theo en de overleden Anna aan. In de voorste kamer van de hoeve ligt de zwaargewonde Theo Wintraeken op bed. In de achterste kamer van het huis ligt zijn vermoorde echtgenote Anna. De schepenen constateren, dat de vrouw een gapende wond heeft bij het linkeroog. De kogel is tot diep in het hoofd doorgedrongen. De oudste dochter Johanna kan de schepenen over de juiste toedracht van het gebeuren inlichten. Haar vader verklaart zelf, dat hij niemand van de rovers kent, dat ze niet ouder zijn dan 25 jaar, ‘Hoogduits’, gebroken ‘Duits’ en een ander dialect ‘Duits’ spraken.
De daders werden pas anderhalf jaar later opgepakt. Tijdens verhoren verrieden de Bokkerijders elkaar. Ponts bekende de moord en noemde meer dan 120 bendeleden. Uit de verklaringen bleek dat ongeveer vijftig Bokkerijders aan de overval hadden deelgenomen. Daarbij was ook de schepen Joannes Lenssen van Nieuwstadt. Dezelfde, die op op 17 maart in de ‘Beukeboom’ als gerechtsdienaar ging informeren naar de toedracht van het misdrijf. Zijn broer Leonard was ook een Bokkerijder. Joannes Lenssen werd ter dood veroordeeld en op 23 december 1743 in Nieuwstadt opgehangen.
Bron: Ger Ramaekers en Theo Pasing, De woeste avonturen van de Bokkerijders

